| Vaardigheden | Start | 1 | 2 | 3 | 4 |
| Communiceren | 4P1, 4P2 | 4P3, 4P4 | |||
| Samenwerken | 4P1 | 4P2, 4P3, 4P4 | |||
| Digitale technologie | 4P1 | 4P2, 4P3, 4P4 | |||
| Informatievaardigheden | 4P1, 4P2 | 4P3, 4P4 | |||
| Reken en Wiskundige vaardigheden | 4P1, 4P2, 4P3, 4P4 | ||||
| Analytisch denken | 4P1, 4P2 | 4P3, 4P4 | |||
| Kritisch denken | 4P1, 4P2 | 4P3, 4P4 | |||
| Creatief denken | 4P1, 4P2 | 4P3, 4P4 | |||
| Omgaan met anderen | 4P1 | 4P2, 4P3 | 4P4 |
Communiceren:
Ik communiceer begrijpelijker, niet alleen met mijn mond maar ook bijvoorbeeld bij het schrijven van een verslag, zowel bij het uitwisselen van informatie als bij het onder woorden brengen van gedachten, gevoelens en ervaringen. Ik vind een presentatie geven nu een stuk leuker en ben dan ook meer mezelf, met een beetje spanning ernaast. Als een ander iets aangeeft kan ik er nu meer begrip voor hebben dan eerst.
Samenwerken: Ik maak nu duidelijke afspraken over wat ik moet doen en ik voel me verantwoordelijk voor mijn taken. Ik hou rekening met de rest en ik doe wat ik zeg dat ik van plan ben te doen. Ik luister naar de kritiek van anderen en accepteer die ook zeker. Ik pas mijzelf aan als een ander mij verteld hoe ik te werk kan gaan op een betere manier.
Digitale technologie: Ik weet hoe ik digitale technologie moet gebruiken op meerdere platformen. Ik zorg dat de opmaak zo netjes mogelijk is en let ook op spelfoutjes etc. Als ik de keuze krijg, ben ik kritischer op wat ik wel en niet online zet. Ik ben veel handiger in het werken met digitale middelen.
Informatievaardigheden: Ik doe mijn best om het beste van het beste te gebruiken als het gaat om bronnen. Ik ben kritisch als het gaat om of het een goede bron is of dat de bron niet te vertrouwen is. Ik verwerk deze bronnen in de opdrachten die ik doe en probeer er de juiste conclusies uit te trekken. Ik kan dit ook goed uitleggen en beredeneren. Ik verwijs ook zoveel mogelijk terug naar eerder achterhaalde informatie.
Reken- en wiskundige vaardigheden: Ik ben in staat om doelgericht mijn rekenkundige vaardigheden te gebruiken. Ik kan gemakkelijk berekeningen doen en die dan ook daarna in de juiste context gebruiken. Ik kan op de goede manier bijvoorbeeld een tabel of grafiek gebruiken en snap ze ook.
Analytisch denken: Ik analyseer om daar tot een besluit te komen. Ik kan
• Goed ordenen en dingen met het ander vergelijken.
• Onderscheiden van hoofd- en bijzaken, ik weet wat er belangrijk is en wat minder verschil maakt.
• Benoemen van overeenkomsten en verschillen.
• Ik weet wat de gevolgen kunnen zijn van mijn acties.
• Gebruiken van schema’s en van goede planningen.
Krytisch denken: Ik denk kritisch om uiteindelijk te kunnen zeggen wat ik ergens van denk of vind. Hierdoor kan ik:
• Onderscheiden van verschillende perspectieven, wat de ene een goed idee vindt vindt de ander misschien geen goed idee.
• Wegen van belangen en waarden, ik luister naar wat de ander ergens van vind.
Creatief denken:
Ik denk op een creatieve manier om uiteindelijk tot nieuwe ideeën te komen.
Genereren van inzichten en de verbanden tussen verschillende dingen.
Gebruiken van technieken.
Omgaan met anderen:
Bij de omgang met anderen vind ik het belangrijk om andere gedachten te overwegen, de ander te helpen en ze te steunen. Op alle onderdelen lukt me dat een stuk beter.